201910.09
Off
0

DE BEROEPSBEKWAAMHEID VAN DE AANNEMERS

Artikel geschreven door Jean-Pierre Vergauwe, Architraaf n° 201


Ik dien nogmaals terug te komen op de kwestie van de beroepsbekwaamheid van de aannemers in de bouwsector.

Deze materie, die nochtans essentieel is, is niet altijd bekend en wordt niet altijd gerespecteerd door de deelnemers aan het bouwproces.

Ter herinnering, de aannemers in de bouwsector dienen aan te tonen dat zij over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikken voor 9 beroepen, waaronder deze van algemene aannemer, zoals voorzien in het Koninklijk Besluit van 29 januari 2007 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten van het bouwvak en van de elektrotechniek, alsook van de algemene aanneming.

De beroepsbekwaamheid mag niet verward worden met de begrippen erkenning of registratie.

Het naleven van de wettelijke bepalingen kan zeer makkelijk nagekeken worden door het consulteren van de KBO. De beroepsbekwaamheid mag evenmin verward worden met de Nacebel Codes “die enkel een referentiekader vormen voor de productie en de verspreiding van statistieken betreffende de economische activiteiten” (Luik 15 februari 2018, 2017/RG/76-F-20180215-1).

Aangezien het om een bepaling van openbare orde gaat, leidt de niet-naleving van de wet tot de nietigheid van de aannemingsovereenkomst.

Deze nietigheid is retroactief, wat betekent dat de aannemingsovereenkomst geacht wordt nooit te hebben bestaan: “wat betekent dat de rechter, in geval van nietigheid, de teruggave beveelt van de prestaties die reeds werden verricht in uitvoering van de litigieuze overeenkomst” (Cass. 21.05.2004, JLMB 2004, p. 1712).

Wanneer de constructie reeds gedeeltelijk of geheel werd opgericht, dan dient er worden overgegaan tot wederzijdse teruggave: de aannemer betaalt de door de bouwheer betaalde voorschotten terug en de bouwheer geeft bij equivalent de waarde van de uitgevoerde werken terug.

Deze bedragen mogen worden gecompenseerd.

Bovendien zal de rechter rekening houden met eventuele gebreken en onvolkomenheden, waarvan de herstelkost in mindering zal komen van het bedrag dat aan de aannemer toekomt.

Tenslotte “dient de aannemer strenger te worden gesanctioneerd wanneer hij bewust een overeenkomst heeft afgesloten en werken heeft uitgevoerd, wetende dat hij niet over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikt” (Luik, 4.05.2018, 2016/RG/484-F-20180504-5) ; deze bepaling ontneemt aan de aannemer de winstmarge geschat op 20%).

De rechter behoudt aldus een appreciatiebevoegdheid; indien de bouwheer er zich van bewust was dat hij een aannemingsovereenkomst afsloot met een aannemer zonder de vereiste beroepsbekwaamheid, dan zal voormelde sanctie geneutraliseerd, of zelfs gedeeld, worden.

De architect is verplicht om de beroepsbekwaamheid van de aannemer na te gaan alvorens de aannemingsovereenkomst wordt ondertekend; bij gebreke hieraan, is hij aansprakelijk voor de fout die hij begaat in de uitvoering van zijn raadgevingsplicht ten aanzien van de bouwheer.

Het bovenstaande is echter van geen enkel nut voor de bouwheer, wanneer de aannemer failliet gaat.

Indien het een handelsvennootschap betreft, dan kunnen we de bouwheer enkel maar de raad geven om eveneens de zakvoerder of de bestuurder van de vennootschap in faling te dagvaarden.

Dit werd bevestigd in twee recente beslissingen van het Hof van Beroep te Luik.

In een eerste arrest van 15 februari 2018, hiervoor reeds aangehaald, bevestigt het Hof de buitencontractuele aansprakelijkheid van de zaakvoerder van de gefailleerde vennootschap die niet over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikte.

De contractspartij van de bouwheer is de vennootschap zelf en niet haar zaakvoerder.

Vandaar dat een vordering lastens de zaakvoerder gesteund is op een buitencontractuele aansprakelijkheid.

Het Hof stelt: “De buitencontractuele aansprakelijkheid van een zaakvoerder van een vennootschap kan in principe enkel in gedrang zijn wanneer de strikte voorwaarden van een samenloop van aansprakelijkheid vervuld zijn, met name een fout van de zaakvoerder en een buitencontractuele schade (Cass; 7.11.1997, Larcier, Cass. 1998, p.29, n° 160).

Echter, in geval van een strafrechtelijke inbreuk, kan de persoonlijke aansprakelijkheid van de organen samen met de aansprakelijkheid van de vennootschap in het gedrang zijn, zonder dat hiervoor noodzakelijk het bewijs moet worden geleverd van het bestaan van deze twee voorwaarden (Kh. Bergen, 6.11.2001, JLMB, 2003, p. 1285 en noot van O. Caprasse).”

In casu verwijt het Hof de zaakvoerder dat hij de gefailleerde vennootschap zich ertoe heeft laten verbinden om werken uit te voeren waarvoor zij niet over de beroepsbekwaamheid beschikte. Zoals het Hof stelt, zijn de bepalingen betreffende de beroepsbekwaamheid van openbare orde, zodat de inbreuken hierop strafrechtelijke sancties met zich mee kunnen brengen en de zaakvoerder persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld.

In dit geval had de zaakvoerder wel degelijk kennis van de draagwijdte van de overeenkomst en de professionele capaciteiten van de BVBA waarvan hij zaakvoerder was. Het Hof besluit aldus dat de fout in hoofde van de zaakvoerder vaststaat.

Helaas voor de bouwheren, konden zij volgens het Hof niet het bewijs leveren van de schade in oorzakelijk verband met de fout van de zaakvoerder.

De bouwheren steunden hun vordering op een eenzijdig verslag van hun technisch raadsman.

Het Hof meent dat dit verslag geen enkele bewijswaarde heeft betreffende de gebreken, de vertraging in de werken en de afrekeningen.

Het Hof is dus van mening dat het niet wordt aangetoond dat de waarde van de door de bouwheren behouden werken inferieur is aan de betaalde voorschotten en dat zij het bewijs niet leveren van hun schade, en dus ook niet van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de zaakvoerder.

Hun vordering werd ongegrond verklaard.

Immers, om herstel te bekomen van de geleden schade, volstaat het niet om de fout – die in casu vaststaat – aan te tonen, maar moet men ook de schade en het oorzakelijk verband aantonen.

Wat men moet onthouden van dit arrest van het Hof van Beroep te Luik is dat de zaakvoerder van een vennootschap persoonlijk kan aansprakelijk gesteld worden in geval van afwezigheid van de nodige beroepsbekwaamheid in hoofde van de vennootschap die met de bouwheer contracteerde.

Dit principe werd reeds bevestigd in een vonnis van de rechtbank van koophandel te Bergen, 3de kamer, van 6 november 2002 5JLMB 2003, p. 1285).

Volgens het principe van de immuniteit van de uitvoeringsagent kan een orgaan of aangestelde van een vennootschap voor de uitvoering van een contractuele verbintenis, slechts buitencontractueel aansprakelijk worden gesteld wanneer de ten laste gelegde fout een tekortkoming uitmaakt, niet aan een contractuele verplichting, maar aan een algemene zorgvuldigheidsverplichting én indien deze fout een schade heeft veroorzaakt anders dan deze resulterend uit een slechte uitvoering van de overeenkomst.

Het vonnis van 6 november 2002 van de rechtbank van koophandel te Bergen bevestigt de uitzondering op dit principe wanneer de fout van de uitvoeringsagent eveneens een strafrectelijke inbreuk uitmaakt.

In dat geval kan het slachtoffer een aquiliaanse vordering instellen, ofwel tegen de vennootschap, ofwel tegen de uitvoeringsagent, zonder dat zij een fout of schade moet aantonen die vreemd is aan de overeenkomst.

In de tweede zaak die werd voorgelegd aan het Hof van Beroep te Luik, ging het over een commanditaire vennootschap die, via haar zaakvoerder, een bestek had opgemaakt voor de transformatie van een gebouw.

Na te hebben vastgesteld dat deze vennootschap niet over de beroepsbekwaamheid beschikte, hetgeen de nietigheid van de overeenkomst voor gevolg heeft, bevestigt het Hof de hoedanigheid van commanditaire vennoot, en diens aansprakelijkheid: “het staat immers vast dat deze persoon de aannemingsovereenkomst had getekend in zijn hoedanigheid van zaakvoerder-vennoot van de vennootschap, dat hij alle facturen aan de bouwheer had opgesteld en diverse mails en correspondentie verzonden heeft”.

Het Hof besluit dat deze commanditaire vennoot “solidair gehouden is voor de verbintenissen van de gefailleerde vennootschap, in zijn hoedanigheid van commanditair van deze vennootschap”.

Het Hof past voormelde principes toe betreffende de wederzijdse teruggave en veroordeelt de gefailleerde vennootschap en haar zaakvoerder, na compensatie, solidair tot betaling van een bedrag van 58.261,59 EUR aan de bouwheer.

 

——————

 

Deze twee arresten bevestigen nogmaals de strenge rechtspraak in geval van afwezigheid van de vereiste beroepsbekwaamheid.

Bovendien zijn deze arresten van groot belang, nu zij het principe van de solidaire aansprakelijkheid van de zaakvoerder van de vennootschap bevestigen.

 Dit is nuttig voor de bouwheer die tegenover een vennootschap in faling komt te staan.