201803.01
Off
0

VENNOOTSCHAPPEN EN PERSOONLIJKE AANSPRAKELIJKHEID

Artikel geschreven door Jean-Pierre VERGAUWE  ARCHITRAAF – Februari 2018 – n° 195

Prestaties leveren via een vennootschap heeft aanzienlijke voordelen.

Wat de aansprakelijkheid betreft, werd deze formule vastgelegd bij wet van 15 februari 2006 betreffende de uitoefening van het beroep van architect in het kader van een rechtspersoon, de zogenaamde Wet LARUELLE, die de architect toelaat om een vennootschap op te richten en haar ook zo in te schrijven bij de Orde van Architecten, mits naleving van bepaalde voorwaarden.

Op voorwaarde dat de zaakvoerder of de bestuurder van de vennootschap de professionele burgerlijke aansprakelijkheid van de vennootschap verzekert, zal het patrimonium van de natuurlijke personen die deel uitmaken van deze vennootschap beschermd zijn en ontsnappen aan de aanspraken van de medecontractanten en derden.

Echter, zoals artikel 9 van de wet van 20 februari 1939 stelt: “Wanneer het beroep van architect uitgeoefend wordt door een rechtspersoon overeenkomstig deze wet, zijn alle zaakvoerders, bestuurders, leden van het directiecomité en meer algemeen alle zelfstandige mandatarissen die optreden in naam en voor rekening van de rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de verzekeringspremies.

Wanneer, in geval van schending van het eerste lid, de rechtspersoon niet door een verzekering gedekt is, dan zijn de bestuurders, zaakvoerders en leden van het Bestuurscomité hoofdelijk aansprakelijk ten opzichte van derden voor iedere schuld die uit de tienjarige aansprakelijkheid voortvloeit.”

Er is echter geen totale straffeloosheid ten voordele van de zaakvoerders of bestuurders van een rechtspersoon.

Meer en meer zal men namelijk de persoonlijke aansprakelijkheid van deze zaakvoerders en bestuurders van een rechtspersoon gaan viseren.

Zo veroordeelde de Franstalige rechtbank van koophandel te Brussel bij een onuitgegeven vonnis van 8 mei 2017 (A.R.nr. A/11/02797 en A/12/03367) een interieurarchitect die werkte binnen verschillende in faling verklaarde vennootschappen.

Deze beslissing, die thans het voorwerp uitmaakt van een beroepsprocedure, is interessant.

Dit vonnis weerhoudt de persoonlijke aansprakelijkheid van de interieurarchitect omwille van verschillende motieven die kunnen worden samengevat als volgt:

  1. Verwarring gecreëerd door de architect tussen zijn patrimonium en het patrimonium van zijn vennootschappen.
  2. Fout die de persoonlijke aansprakelijkheid van de interieurarchitect met zich meebrengt.
  3. Ophef van de sluier van de rechtspersoon

De interieurarchitect in kwestie, die zelf in eigen naam was ingeschreven bij de KBO voor dezelfde activiteit als zijn vennootschap, had facturen uitgeschreven in eigen naam, om zich te onttrekken aan de schuldeiseres van de vennootschap.

De rechtbank stelt tevens vast dat er activa werden vervreemd om het faillissement van de vennootschap voor te bereiden en dat er een verwarring werd gecreëerd tussen verschillende vennootschappen waarin steeds dezelfde personen voorkomen.

De rechtbank meent dat er sprake is van een vermenging van vermogens van de architect en zijn vennootschappen, met daarenboven een overdracht van bedrijfstakken ten voordele van de natuurlijke persoon.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat “de verweersters een totale vermenging van hun activiteiten van interieurarchitectuur en algemeen aannemer hebben doorgevoerd, in de mate dat zij zelf bestellingen plaatsten bij de leveranciers en de aannemers. De rechtspraak stelt zich streng op ten aanzien van dergelijke handelingen.”

Daarnaast stelt de rechtbank dat er sprake is van een aantal fouten die de persoonlijke aansprakelijkheid van de interieurarchitect in het gedrang brengen.

Artikel 263 van het Wetboek Vennootschappen bepaalt dat : “de zaakvoerders, hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van overtreding van de bepalingen van dit wetboek of van de statuten van de vennootschap.”

Zo stelt de rechtbank vast dat de vennootschap van de architect in kwestie, waarvan hij de enige zaakvoerder is, geen jaarrekeningen heeft goedgekeurd en gepubliceerd binnen de wettelijke termijnen, dat hij in gebreke is gebleven om één of meerdere algemene vergaderingen bijeen te roepen ten gevolge van de sociale verliezen en dat hij de boekhoudkundige bepalingen heeft geschonden.

Verschillende strafrechtelijke inbreuken werden vastgesteld, zoals onder meer het uitschrijven van veel te onduidelijke facturen, het niet respecteren van de regels van de BTW en het niet respecteren van de regels betreffende de jaarrekeningen.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat er een inmenging plaatsvond van de vennootschap tussen de bouwheer en de diverse vaklui en dat de interieurarchitect “zijn honoraria van interieurarchitect heeft gecumuleerd met verborgen en overdreven commissies die hij of de vennootschap heeft genomen op de tussenkomsten van de vaklui en leveranciers.”

Door zich tussen de bouwheer en bepaalde vaklui te plaatsen, trad de interieurarchitect op als algemeen aannemer, zonder dat hij over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikte.

Nog andere inbreuken werden weerhouden in hoofde van de interieurarchitect en zijn vennootschappen.

Zo stelt de rechtbank dat de interieurarchitect de schijn heeft opgewekt dat hij en zijn vennootschap “in staat waren om de aan hen toevertrouwde opdracht behoorlijk uit te voeren, wat echter niet het geval was”.

De interieurarchitect en zijn vennootschap kenden grote moeilijkheden en voerden hun verbintenissen slecht of niet uit.

De rechtbank stelt vast dat de interieurarchitect, door deze tekortkomingen, artikel 496 van het Strafwetboek (oplichting), alsook de artikelen 10 en 11 alinea 4 van de wet van 20 februari 1939 betreffende de bescherming van de titel en het beroep van architect, heeft geschonden.

De rechtbank verwijst naar de rechtspraak volgens dewelke “de omstandigheid dat een inbreuk werd begaan tijdens de uitvoering van een overeenkomst in principe geen obstakel vormt voor de toepassing van de strafwet, noch voor de toepassing van de regels betreffende de civielrechtelijke aansprakelijkheid ten gevolge van een inbreuk” (Cass. 26 oktober 1990, Arr. Cass. 1990-1991, p. 244).

De persoonlijke fout van een bestuurder van een BVBA, erin bestaande werken te laten uitvoeren door de vennootschap zonder toegang tot het beroep, “maakt tevens een strafrechtelijke inbreuk uit, die de aansprakelijkheid van de bestuurders van een BVBA in het gedrang kan brengen, zonder dat de bouwheer het bestaan moet aantonen van een fout of een schade die vreemd is aan de overeenkomst” (Kh. Bergen, 3de kamer, n° A/01/161, 6 november 2002, DAOR 2002, Liv. 63, 273).

De rechtbank van koophandel stelt tevens diverse tekortkomingen vast aan de verplichting van een zaakvoerder en interieurarchitect om zich te gedragen als een normaal en voorzichtig persoon, wat de persoonlijke aansprakelijkheid van het orgaan in het gedrang brengt in geval van bevoegdheid.

Het Hof van Cassatie meent dat de extracontractuele aansprakelijkheid kan weerhouden worden indien de fout in hoofde van de medecontract een tekortkoming uitmaakt, niet alleen ten aanzien van een contractuele verplichting, doch ook aan de algemene zorgvuldigheidsnorm (Cass. 29 september 2006, RGDC 2008, 557).

Een schending van de algemene voorzichtigheids- en zorgvuldigheidsverplichting kan bijgevolg de aansprakelijkheid van het orgaan van de vennootschap met zich meebrengen.

Dit is het geval indien men een overeenkomst sluit, zonder echter in staat te zijn om de opdracht correct uit te voeren.

Zo stelt de rechtbank dat de interieurarchitect “de regels van de kunst en de verplichting van de architect om op te treden als een normaal voorzichtig en voorziend persoon niet gerespecteerd heeft, dat hij deloyaal gehandeld heeft door een werf te leiden zonder enige voorbereiding en bepaling van het programma en het budget, met een flagrant tekort aan controle en coördinatie in de fase van de uitvoering, door het geven van foute adviezen, dit alles enkel en alleen ingegeven door persoonlijke financiële belangen en niet door de belangen van de bouwheer”.

De rechtbank weerhoudt tevens de culpa in contrahendo, zijnde “indien de fout begaan werd door een orgaan van de vennootschap tijdens de onderhandelingen voorafgaandelijk de sluiting van de overeenkomst de rechtstreekse aansprakelijkheid van de vennootschap in het gedrang brengt, dan sluit dit niet uit dat ook de persoonlijke aansprakelijkheid van het orgaan in het gedrang is” (Cass. 20 juni 2005, Arr. Cass. 20056, Liv. 6, 7, 8, 1362).

Tenslotte roept de rechtbank het mechanisme in van de ophef van de “sociale sluier” bedoeld om de werkelijke verantwoordelijke voor de door de bouwheer geleden schade te kunnen raken.

“De ophef van de sociale sluier van een rechtspersoon bestaat erin abstractie te maken van haar rechtspersoonlijkheid of van bepaalde attributen hiervan in welbepaalde hypotheses en door het opzij schuiven van haar juridische autonomie”.

Bijgevolg veroordeelt de rechtbank solidair of in solidum de zaakvoerder, interieurarchitect, samen met zijn vennootschappen, nu elke partij duidelijk diverse fouten heeft begaan met eenzelfde schadelijke bedoeling, waarbij sommige fouten eerder contractueel zijn en andere eerder buitencontractueel.

——————————

Een gelijkaardige beslissing werd gewezen door de 5de kamer van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 april 2016 (A.R. nr. 15/5392) ter bevestiging van een verstekvonnis lastens een aannemer en zijn zaakvoerder, waarbij deze solidair veroordeeld werden om een bedrag van 92.633,983 euro aan de bouwheer terug te betalen wegens de nietigheid van de aannemingsovereenkomst ten gevolge van een gebrek aan de vereiste beroepsbekwaamheid. Tegen dit vonnis werd beroep aangetekend.

De persoonlijke fout van de zaakvoerder, erin bestaande werken te hebben laten uitvoeren door haar vennootschap, zonder over de vereiste vestigingsattesten te beschikken, “overschrijdt de grenzen van een eenvoudige beheersfout. Bovendien maakt deze fout een strafrechtelijke inbreuk uit. Het is dan ook niet nodig dat de strikte voorwaarden van de samenloop van aansprakelijkheden vervuld zijn opdat de aansprakelijkheid van de zaakvoerder in het gedrang is.”

De rechtbank stelt vast dat deze fout in oorzakelijk verband staat met de door de bouwheer geleden schade en veroordeelt de zaakvoerder en de vennootschap solidair om voormelde som terug te betalen aan de bouwheer, gelet op het feit dat de nietigheid van de aannemingsovereenkomst in principe voor gevolg heeft dat partijen in hun oorspronkelijke toestand moeten worden terug geplaatst en de wederzijds prestaties bijgevolg moeten worden teruggegeven in natura of bij equivalent.

De rechtbank blijft echter de bevoegdheid hebben om de opportuniteit en de omvang van deze teruggave te beoordelen; wanneer het gaat om een teruggave bij equivalent, dan gebeurt dit op basis van de verrijking zonder oorzaak.

Zo zal de partij die zich verrijkt heeft, het bedrag van deze verrijking aan de verarmde terug moeten geven.

In casu veroordeelt de rechtbank de aannemingsvennootschap en de zaakvoerder solidair om aan de bouwheer de kostprijs van de gebreken, begroot door een gerechtsdeskundige, terug te betalen, vermeerderd met de winstmarge van de aannemer, door de rechtbank begroot op 15%.

——————–

Tenslotte dient tevens verwezen te worden naar een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 26 januari 2017 (2016/AR/1751), waarin gesteld wordt dat de geïdentificeerde natuurlijke persoon kan veroordeeld worden samen met de aansprakelijke rechtspersoon, indien zij de fout bewust en vrijwillig gemaakt heeft, met andere woorden wanneer zij bewust en zonder verplichting heeft gehandeld.

De persoonlijke fout van de zaakvoerder van de BVBA, erin bestaande werken te laten uitvoeren door een vennootschap zonder toegang tot het beroep, kan worden weerhouden en de aansprakelijkheid van de zaakvoerder in het gedrang brengen.

Het Hof stelt immers dat : “de aansprakelijkheid van de rechtspersoon echter niet de persoonlijke aansprakelijkheid van haar orgaan uitsluit, hoewel deze over een grote immuniteit beschikt.

Haar aansprakelijkheid kan dan ook worden weerhouden wanneer een strafrechtelijke inbreuk werd begaan.”

Artikel 5, alinea 2, in fine van het Strafwetboek voorziet de mogelijkheid van een samenloop van aansprakelijkheden van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon, wanneer deze laatste geïdentificeerd is en de fout bewust en vrijwillig werd begaan.

Bijgevolg kan de natuurlijke persoon worden veroordeeld samen met de aansprakelijke rechtspersoon, wat bevestigd werd door vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, zoals voormeld arrest ook herhaalt.

Het Hof stelt tevens dat de aansprakelijkheid van de zaakvoerders-bestuurders nog kan worden versterkt, wanneer de vennootschap die zij beheren, failliet wordt verklaard.

Met betrekking tot het gebrek aan de vereiste beroepsbekwaamheid, beslist het Hof van Beroep dat de persoonlijke fout van de zaakvoerder van de BVBA, erin bestaande werken te hebben laten uitvoeren dor een vennootschap zonder toegang tot het beroep, kan weerhouden worden en kan leiden tot haar persoonlijke aansprakelijkheid , nu dergelijke fout de grenzen overschrijdt van een eenvoudige beheersfout en zij tevens een strafrechtelijke inbreuk uitmaakt, zonder dat de bouwheer het bestaan van een fout en schade vreemd aan de overeenkomst moet aantonen.

—————-

Bovenstaande voorbeelden zijn uiteraard belangrijk voor de architect, zaakvoerder of bestuurder van een vennootschap. De rechtspraak veroordeelt zeer streng de architect die niet heeft nagegaan of de aannemers over de vereiste beroepsbekwaamheid en vestigingsattesten beschikken.

Voorgaande voorbeelden tonen aan hoe belangrijk het is dat de zaakvoerder of bestuurder van een vennootschap de nodige voorzichtigheid aan de dag moet leggen.

Het oprichten van een rechtspersoon laat ons niet toe om eender wat te doen en leidt niet tot een totale straffeloosheid van de natuurlijke persoon.

Integendeel, de persoonlijke aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon is actief en kan in bepaalde gevallen in het gedrang zijn, samen met de aansprakelijkheid van de vennootschap en leiden tot een solidaire of “in solidum” veroordeling.